Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving
In Nederland krijgen we steeds vaker te maken met zware buien, langdurige droogte en extreme hitte. Om ons tegen de gevolgen daarvan te beschermen, is het nodig dat we onze omgeving aanpassen. Dat betekent ook dat we anders moeten gaan bouwen. De Maatlat klimaatadaptieve groene gebouwde omgeving maakt duidelijk hoe klimaatadaptief bouwen en inrichten eruitziet.
Hieronder vind je de interactieve versie van de Maatlat. Klik op een onderdeel van de Maatlat voor meer informatie. In de Maatlat vind je landelijke normen, decentrale normen, richtlijnen en voorkeursvolgorde.
Heb je vragen over de Maatlat? Neem contact op via het contactformulier.
Hotspots
Bodemdaling
Slappe bodems kunnen gaan zakken en dit proces is (meestal) niet meer terug te draaien. Er zijn verschillende oorzaken van bodemdaling waaronder daling van het grondwaterpeil door bijvoorbeeld langdurige droogte of het toevoegen van gewicht op een slappe bodem.
Bodemdaling is veelal te voorkomen of beperken door het nemen van adaptieve maatregelen. Buiten bereik van de scope van de maatlat zijn er ook nog andere oorzaken voor bodemdaling waaronder mijnbouw, gaswinning, tektoniek en isostasie.
Doel: Bodemdaling van gebouwd gebied en de gevolgen ervan blijven nu en in de toekomst beheersbaar en betaalbaar.
Draagkracht bodem is mede sturend bij keuze functie, systeem en inrichting
Motiveer hoe gebouwen, wegen en andere infrastructuur binnen het plangebied afgestemd zijn op wat de bodem kan dragen. Zo mitigeer en beperk je de bodemdaling zo veel mogelijk. Dat is belangrijk, want dan blijft bodedaling nu en in de toekomst goed te beheersen en betaalbaar. Let hierbij op drie punten:
- Bouw de gebouwen en wegen zoveel mogelijk op de plekken waar de bodem het meeste gewicht kan dragen.
- Houd het waterpeil en het grondwaterpeil gelijk, of laat het stijgen.
- Kies de hoogte waarop je bouwt (ontwerppeil) en de manier van bouwen die passen bij het type bodem en bij de daling die je daarna nog verwacht (restzetting).
Gebiedsspecifieke keuze ontwerppeil, restzettingseis, maatregelenset en materiaal
Toon aan dat je voor gebouwen, wegen en groen het ontwerppeil hebt gekozen dat over de hele levensduur het minste kost voor de maatschappij. Kies ook de maatregelen die daarbij horen. Doe dit voor openbaar én privaat terrein. Let hierbij op de volgende punten:
- Stem maatregelen en materialen af op de draagkracht van de bodem op die plek. Zo beperk je bodemdaling en de gevolgen ervan zo veel mogelijk.
- Kijk bij de keuze naar de hele levensduur, ook de beheerfase. Voor riolering is dat bijvoorbeeld 60 jaar. Zo schuif je de kosten niet door naar bewoners en beheerders.
- Bereken de resterende bodemdaling (restzetting) over een periode van 30 jaar na de oplevering.
- Monitor de parameters gedurende 10 jaar.
- Leg vooraf vast wie waarvoor verantwoordelijk en aansprakelijk is. Doe dit samen met alle betrokken partijen.
Biodiversiteit en natuurinclusiviteit
Biodiversiteit gaat over alle soorten planten, dieren en micro-organismen. Ook de verschillen binnen die soorten horen erbij, net als de verschillende leefgebieden, van moerassen tot heidevelden. In bebouwd gebied is ruimte voor veel verschillende ecosystemen en soorten.
Adaptatiemaatregelen kunnen de biodiversiteit behouden en versterken. Het meenemen van biodiversiteit biedt ook kansen, bijvoorbeeld om de leefomgeving gezonder te maken. Daardoor is biodiversiteit niet alleen een doel maar ook een middel om mee te sturen.
Natuurinclusieve maatregelen kunnen ook de omgeving klimaatbestendiger maken en de biodiversiteit versterken. Een voorbeeld van zo’n maatregel is een wadi die natuurvriendelijk is ingericht en ook op die manier wordt beheerd.
Wil je planten en dieren behouden? Zorg dan dat het stedelijk ecologisch netwerk goed werkt. Dit netwerk bestaat uit kerngebieden, stapstenen en verbindingszones.
Doel: Groenblauwe structuren en de gebiedseigen biodiversiteit worden versterkt op alle schaalniveaus
In orde maken van basiscondities voor algemene soorten
Basiskwaliteit Natuur
De Basiskwaliteit Natuur is het geheel van condities die algemene soorten nodig hebben om algemeen te blijven of te worden. Het gaat om de niet-levende omgeving (zoals bodem en water), de inrichting en het beheer.
De Basiskwaliteit Natuur is het minimale kwaliteitsniveau van de leefomgeving dat nodig is om algemene planten- en diersoorten gezond te houden. Denk aan de huismus, de gewone pad en dagvlinders.
Denk bij de juiste condities aan schoon en gezond water, een gezonde bodem, een goede inrichting (zoals landschapselementen) en het juiste beheer (zoals ecologisch beheer).
Gebruik hiervoor het overzicht met advieswaarden voor 5 groepen condities. Bij elke conditie hoort een werkinstructie en een factsheet.
Waardevolle habitat en basiskwaliteit natuur behouden en realiseren
Beschermde en waardevolle soorten en leefgebieden in de stad vragen extra aandacht. Breng daarom in kaart welke soorten er zijn. En stel doelen vast voor biodiversiteit.
Weet je welke leefgebieden en soorten er lokaal zijn of gewenst zijn? Dan kun je de omstandigheden voor kwetsbare soorten verbeteren. Stem hiervoor het water, de bodem, de inrichting en het beheer op deze soorten af.
Richt de omgeving zo in dat planten en dieren duurzaam en gezond kunnen groeien. Zorg bijvoorbeeld voor ruime groeiplaatsen, schoon en voldoende water en een gezonde bodem. En behoud zoveel mogelijk het bestaande groen en de oorspronkelijke bodem.
Groene oplossingen gebaseerd op natuurlijke processen en structuren hebben de voorkeur boven technische oplossingen: groen, tenzij
Sommige condities helpen om overstromingen en wateroverlast te voorkomen. Denk aan groenblauwe verbindingen, poelen en een gezonde, gebiedseigen bodem.
Moet je een keuze maken tussen een groene (natuurlijke) of een technische oplossing? Kijk dan naar de maatschappelijke kosten en baten van de aanleg en het beheer.
Groene oplossingen zijn meestal goedkoper en werken beter dan technische (grijze) oplossingen. Deze richtlijn geldt voor alle thema’s.
Percentage groen op buurtniveau behouden en realiseren
Stel een groennorm vast voor elke buurt of wijk. Baseer deze norm op het lokale doel of de lokale doelen waaraan de groennorm moet bijdragen.
Let hierbij op de eisen die aan het groen worden gesteld om die doelen te halen. Al het groen in het gebied telt mee voor het percentage groen. Dus groen op publiek en privaat terrein (ook op daken) en volwassen boomkronen.
Deze richtlijn geldt ook voor hitte en droogte. Ook helpt de richtlijn voor gezondheid.
In de Handreiking Groen in en om de Stad staan normen voor groen die een gemeente kan gebruiken. Er zijn normen voor de hoeveelheid groen (kwantitatief) en voor de kwaliteit van het groen (kwalitatief). De normen gelden op verschillende schaalniveaus.
Droogte
We spreken van droogte als het veel droger is dan normaal en als dat lang duurt. De bodem en het groen hebben dan meer water nodig dan er beschikbaar is.
Droogte kan schade geven aan groen, aan funderingen, aan infrastructuur en aan de natuur. Door klimaatverandering wordt de kans op droge zomers groter. Daarnaast zijn onze watersystemen vaak ontworpen of het zo snel mogelijk afvoeren van regenwater.. In bebouwd geied wordt het versneld afvoeren van regenwater verergerd door door verharding. Het water zakt daardoor minder goed in de bodem. Zo wordt het grondwater minder aangevuld.
Doel: Langdurige droogte leidt niet tot structurele schade aan bebouwing, funderingen, wegen, groen, water en vitale of kwetsbare functies.
Grondwaterstanden en zoetwaterbeschikbaarheid zijn sturend bij keuze functie, systeem en inrichting
Motiveer en toon aan met cijfers aan wat de gemeten grondwaterstanden zijn en welke standen je wilt bereiken. Het gaat om de gemiddeld hoogste en de gemiddeld laagste stand. Geef hierbij aan hoe de toekomstige ontwerppeilen van groen, gebouwen en infrastructuur zijn afgestemd op de verwachte daling van het grondwater. Breng ook in beeld hoeveel water het plan of ontwerp nodig heeft, nu en in de toekomst. Denk bijvoorbeeld aan hoeveel water een groen dak op de lange termijn kan vasthouden, in mm per m2.
Vergroten infiltratie en minimaliseren verharding
Vergelijk de situatie voor en na de ontwikkeling. Laat zien dat het grondwater op peil blijft door infiltratie. Laat ook zien dat de verharding na de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de infiltratie.
Bouw je buiten de stad? Dan is de ontwikkeling infiltratieneutraal: het grondwater wordt evenveel aangevuld als vóór de ontwikkeling, ook al is er meer verharding. Dit mag niet zorgen voor te veel grondwater (grondwateroverlast). Kijk daarbij naar de grondwatersituatie, de dichtheid van de bebouwing en het bodemtype.
Bouw je binnen de stad? Dan is de ontwikkeling infiltratiepositief: er is minder verharding (0 tot -10%) of meer infiltratie (0 tot +10%) dan vóór de ontwikkeling.
Groene daken tellen niet mee als verharding. Kies bij voorkeur voor groene oplossingen met veel ruimte voor planten en dieren om de infiltratie te vergroten.
Hergebruik van water, zuinig gebruik van drinkwater en verbeteren waterkwaliteit is onderdeel van het ontwerp
Motiveer in het ontwerp of plan hoe je water wilt hergebruiken, hoe je het gebruik van drinkwater beperkt en hoe je de waterkwaliteit wilt verbeteren. Stem dit af op de kenmerken van het gebied.
Deze richtlijn past ook bij de circulaire economie, omdat je zo de kringloop van water verbetert.
Benutten en besparen, vasthouden en infiltreren, bergen, afvoeren
De voorkeursvolgorde voor maatregelen bestaat uit vier opties. Optie 1 is de beste keuze, optie 4 de minst goede:
- Benutten en besparen: verminder het gebruik van drinkwater en regenwater.
- Vasthouden en infiltreren: vang regenwater op waar het valt. Laat het bijvoorbeeld infiltreren in de bodem.
- Bergen: sla water tijdelijk op en laat het daarna langzaam en gecontroleerd weer los.
- Afvoeren: voer regenwater gecontroleerd af naar oppervlaktewater of naar het riool.
Hitte
Het wordt steeds warmer. Dat is een van de duidelijkste en best meetbare gevolgen van klimaatverandering. Door het stedelijke hitte-eilandeffect kan de temperatuur in bebouwd gebied tot 7 of 8 graden hoger zijn dan het omliggend gebied, met name tijdens windstille nachten.
Naast de luchttemperatuur kun je ook de gevoelstemperatuur meten. Met name de gevoelstemperatuur laat goed zien hoe groot het risico voor de gezondheid is.
Door hitte overlijden nu al meer mensen. Ouderen zijn hiervoor de meest kwetsbare groep. Maar ook buitenwerkers, mensen zonder vaste verblijfsplaats, chronisch zieken, zwangeren en zeer jonge kinderen lopen extra risico op hittestress. Maar uiteindelijk kan iedereen ziek worden wanneer hitte vaker en langer voorkomt. Door het groeiende aantal warme en tropische dagen slapen mensen slechter, waardoor klachten overdag worden vergroot.
Doel: Tijdens hitte biedt de gebouwde omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Geen directe opwarming van verblijfsplekken in de private of openbare buitenruimte door gebouwen(installaties)
Toon aan dat gebouwen en installaties in het gebouw, zoals airco’s, verblijfsplekken buiten niet extra opwarmen. Denk aan terrassen en dakterrassen.
Voor nieuwe woningen zijn soms warmtepompen met koeling nodig om aan de TOjuli-norm te voldoen. Warmtepompen moeten daarom mogelijk blijven.
Deze richtlijn hangt samen met de energietransitie.
Schaduw op verblijfsplekken, loop- en fietsroutes en drinkwaterstroken
Motiveer en toon aan in hoeverre er genoeg schaduw is op het heetste moment van de dag: 15:30 uur op 21 juni. De richtlijn is: 40% schaduw op belangrijke loop- en fietsroutes, drinkwaterstroken en verblijfsplekken. En 30% schaduw in de buurt als geheel. Zo kunnen mensen kiezen tussen schaduw en zon. Ook warmen drinkwaterleidingen minder op. De schaduw van gebouwen telt mee. De schaduw van volwassen bomen telt ook mee, maar alleen als een boom op die plek (groeiplaats) echt volwassen kan worden.
Afstand tot groene koele verblijfsplekken (verbonden met thema biodiversiteit)
Motiveer en toon aan in hoeverre mensen op loopafstand een openbaar toegankelijke koele groene plek in de schaduw kunnen bereiken. De richtlijn is: maximaal 300 meter vanaf de ingang. Ook de grootte van de koele plek is belangrijk. De richtlijn is: minimaal 200 m2 groen en schaduw. Kijk daarnaast naar hoe mensen deze plek kunnen gebruiken en hoe dit aansluit bij de omgeving.
Richt koele plekken het liefst groen en biodivers in. En zorg dat de plek hitte vermindert.
Vitale en kwetsbare functies en groenvoorzieningen zijn bestand tegen hitte
Maken vitale en kwetsbare functies, zoals beweegbare bruggen, deel uit van het project? Ontwerp die dan zo dat ze ook bij hitte blijven werken. Richt ook het groen zo in dat het tegen hitte kan. Kies daarbij het liefst voor groen dat past bij de plek en de biodiversiteit stimuleert.
Ladder van koeling van OSKA: Koele omgeving, Warmte weren, Passief koelen, Actief koelen
Met de Ladder van Koeling kun je zien met welke stappen je een gebouw koel houdt in een warmer klimaat. Begin altijd bij stap 1.
- Houd rekening met de omgeving van gebouwen: groen en schaduw van bomen geven verkoeling. Ook water kan verkoeling geven. Let bij het ontwerp op dat water ’s nachts niet onbedoeld warmte uitstraalt.
- Voorkom dat hitte het gebouw binnenkomt. Hierbij is het belangrijk om zoninstraling zoveel mogelijk te beperken. Denk aan de grootte en plek van ramen en deuren in de gevel, en manieren om de zon te weren. Zoals zonwering en overstekken. Denk daarnaast aan de richting van ventilatieopeningen en zorg dat je het gebouw kunt doortochten.
- Voer warmte af. Dat kan bijvoorbeeld met ventilatie, ook ’s nachts. Zorg ervoor dat de ventilatiemogelijkheden veilig zijn tegen inbraak.
- Kies zuinige koeling. Is er toch een koelinstallatie nodig? Kies dan een installatie
Lees meer over de Ladder van koeling op het Kennisportaal Klimaatadaptatie.
Gevolgbeperking overstromingen
Nederland is goed beschermd tegen overstromingen. Het Rijk en de waterschappen zorgen daarvoor. Dat staat onder andere in de Waterwet. Deze bescherming is laag 1 van het principe van meerlaagsveiligheid die uit 5 lagen bestaat.
Overheden en private partijen hebben daarnaast de opgave om samen de gevolgen te beperken als er toch een overstroming is, bijvoorbeeld in door een dijkdoorbraak.
Hiervoor zijn 2 andere lagen uit de Meerlaagsveiligheid van toepassinghet gebied zo inrichten dat het water minder schade kan doen (laag 2). En: zorgen dat mensen veilig kunnen schuilen of op tijd weg kunnen (laag 3).
Doel: De gebouwde omgeving is via gevolgbeperking voorbereid op overstromingen in buitendijks gebied, vanuit het regionale watersysteem en door dijkdoorbraken
Overstromingsrisico’s van overstromingskans, waterdiepte en evacuatietijd en bijbehorende impact afwegen, met specifieke aandacht voor vitale en kwetsbare functies
Motiveer welke maatregelen op een bepaalde locatie nodig zijn om de schade door een overstroming te beperken. Deze maatregelen komen bovenop de veiligheid van de dijken en andere waterkeringen. Gebruik hierbij de prioriteitsvolgorde uit Utrecht*. Die werkt zo: valt een functie uit en heeft heel Nederland daar last van? Dan gelden de strengste eisen. Heeft alleen de regio er last van? Dan zijn de eisen minder streng. Heeft alleen de directe omgeving er last van? Dan zijn de eisen strenger dan of hetzelfde als voor gewone gebouwen, zoals woningen en bedrijfspanden.
Voorbeeld: Basisveiligheidsniveau van de Metropoolregio Amsterdam
Een voorbeeld van de voorkeursvolgorde staat in het basisveiligheidsniveau van de Metropoolregio Amsterdam*:
AFBEELDING
*De Metropoolregio Amsterdam, Utrecht en Zuid-Holland hebben elk een eigen voorkeursvolgorde en afwegingskader gemaakt om de ge gevolgen van overstromingen te beperken. In deze kaders telt de evacuatietijd nog niet mee. Dat is de tijd die mensen nodig hebben om veilig weg te komen. De samenwerkende regio’s hebben aan het Rijk voorgesteld om voorlopig het kader van de metropoolregio Amsterdam te gebruiken.
Wateroverlast
Door het veranderende klimaat komen hevige buien vaker voor, worden ze heviger en vallen ze in grotere gebieden. Dat leidt tot een grotere kans op wateroverlast.
Wateroverlast is schade en overlast door hevige regen. Denk aan wegen die blank staan of aan waterschade in gebouwen en aan eigendommen. De regen valt op de plek zelf of komt uit gebieden gestroomd in de buurt.
Doel: Hevige neerslag leidt niet tot waterschade aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen. Kwetsbare en vitale functies en voorzieningen blijven beschikbaar.
Geen waterschade tot en met een bui die 1 x per 100 jaar voorkomt, vitale functies blijven beschikbaar
Toon voor elk nieuw gebouw of object aan dat een zware bui geen waterschade geeft in het gebouw zelf. Dit zijn buien met een herhalingstijd van 100 jaar in 2050. Ook als er water op het maaiveld blijft staan, mag dat niet tot schade in het gebouw leiden.
Gebruik als startpunt een bui van 70 mm regen in één uur. Zo'n bui heeft een jaarlijkse kans van 1% om voor te komen in 2050 . Voor het lokale riool of het regionale watersysteem kunnen andere buien belangrijker zijn. Bijvoorbeeld de composietbuien van RIONED. Dit zijn regenbuien die zijn gebaseerd op regenstatistieken. In dit geval gaat het om een bui met dezelfde herhalingstijd van 100 jaar in in 2050 Of buien die één of meer dagen duren, voor regionale watersystemen.
Ziekenhuizen en energiecentrales zijn vitale functies. Daarvoor geldt een bui van 90 mm regen in één uur als startpunt. Zo'n bui heeft een herhalingstijd van 250 jaar in 2050. Voor gewone, niet-vitale gebouwen zijn buien tot en met T 250 jaar het hogere ambitieniveau.
Geen waterschade bij 0,2 meter waterdiepte op straat (verbonden met gevolgbeperking overstromingen)
Toon aan dat het vloerpeil van nieuwe gebouwen 0,2 meter hoger ligt dan het laagste punt van de rijbaan in de straat. Het gaat hierbij om de hoogte van de straat in het ontwerp: het straatpeil.
Let daarbij op de eis uit het Bouwbesluit: een gebouw moet aan twee kanten toegankelijk zijn voor mensen met een lichamelijke beperking. Lukt de 0,2 meter niet door die toegankelijkheid of door hoogteverschillen?
Dit is ook van toepassing voor gevolgbeperking van overstromingen.
Neerslag op privaat terrein verwerken op privaat terrein of daarvoor bestemde extra voorzieningen in het plangebied of de watersysteemgrenzen
Toon aan dat neerslag die op het bebouwde deel van privaat terrein valt, daar ook wordt verwerkt. De neerslag kan opgevangen worden in extra voorzieningen op het eigen terrein. Het kan ook in extra voorzieningen daarbuiten: in het plangebied of binnen de grenzen van het watersysteem. Er moet 40 tot 70 mm neerslag opgevangen kunnen worden. De voorzieningen moeten binnen 48 tot 60 uur weer beschikbaar zijn voor een volgende bui.
Ontwikkeling voorkomt afwenteling
Motiveer en onderbouw dat het project geen afwenteling veroorzaakt. Er mag buiten het plangebied geen extra waterschade komen aan gebouwen en voorzieningen. Ook mag er niet meer water worden afgevoerd naar kwetsbare (water)systemen of gebieden.
In het gebied is natuurlijke en bovengrondse afwatering zoveel mogelijk aanwezig
Motiveer in hoeverre het openbare en het private gebied regenwater bovengronds en zonder waterschade kunnen afvoeren. Het water stroomt daarbij zo natuurlijk mogelijk weg, met het hoogteverschil mee (onder natuurlijk verval). Groene oplossingen die de biodiversiteit vergroten hebben de sterke voorkeur. Denk aan meer groen in plaats van bestrating, een wadi of een groen dak.
Benutten en besparen, vasthouden en infiltreren, bergen, afvoeren
De voorkeursvolgorde voor maatregelen bestaat uit vier opties. Optie 1 is de beste keuze, optie 4 de minst goede:
- Benutten en besparen: gebruik regenwater en bespaar drinkwater. Zo is er minder water nodig.
- Vasthouden en infiltreren: vang regenwater op waar het valt. Laat het bijvoorbeeld in de bodem infiltreren.
- Bergen: sla water tijdelijk op. Laat het daarna langzaam en gecontroleerd weer wegstromen.
- Afvoeren: voer regenwater gecontroleerd af naar oppervlaktewater of naar het riool.
Praktische tools
Er zijn verschillende hulpmiddelen ontwikkeld om de Landelijke Maatlat te gebruiken in de praktijk. Er zijn bijvoorbeeld hulpmiddelen om afspraken juridisch vast te leggen. Ook zijn er goede voorbeelden van projecten en maatregelen. En er zijn experts aan wie je vragen kunt stellen.
Achtergrondinformatie
Op deze pagina vind je de achterliggende rapporten en Kamerbrieven over de Landelijke Maatlat. De brieven en rapporten staan op volgorde van datum. Het oudste document staat bovenaan, het nieuwste onderaan.
Landelijke norm
Kwantitatieve prestatie-eisen
Decentrale norm
Gebiedsspecifieke kwantitatieve prestatie-eisen
Richtlijn
Een algemene aanwijzingdie de beste manier van handelen op basis van onderzoek en praktijk beschrijft
Voorkeursvolgorde
Rangorde die aangeeft welke maatregel, handeling of aanpak de meeste voorkeur geniet en als eerste moet worden overwogen
