Abiotische factoren - Hoe kan klimaatverandering het water zelf veranderen?

De ecologische waterkwaliteit van stedelijk oppervlaktewater kan veranderen doordat klimaatverandering zorgt voor fysische of chemische veranderingen van het water zelf. Dit noemen we ook wel abiotische factoren van water. Hoge watertemperaturen kunnen er bijvoorbeeld toe leiden dat de concentratie zuurstof in water afneemt, waardoor vissen en andere dieren in het water kunnen sterven. Op deze pagina lees je hoe dat werkt. Ook lees je hier meer over de invloed van klimaatverandering op de concentratie microverontreinigingen en giftige stoffen, zout, fosfor en stikstof in water. Al deze abiotische factoren hebben effect op de stedelijke waterkwaliteit.

Zuurstofgebrek

Door klimaatverandering ontstaat er vaker zuurstofgebrek in oppervlaktewater. Zuurstofgebrek kan worden veroorzaakt door hitte en door hevige neerslag:

  • Hitte: De concentratie zuurstof in water hangt voor een groot deel af van de watertemperatuur. Als de watertemperatuur hoog is, daalt de zuurstofconcentratie. Dat komt onder andere doordat de organismen in het water bij een hoge temperatuur meer zuurstof verbruiken. Bij hittegolven kan dat zelfs leiden tot zuurstofloosheid van het water. Dat laatste gebeurt vooral in ondiep water met op de bodem veel organisch materiaal, dat onder andere afkomstig is van afgevallen bladeren. Doordat het water daar sneller opwarmt, gebruiken vissen en andere dieren daar meer zuurstof. Daarnaast is voor de afbraak van het organisch materiaal (mineralisatie) veel zuurstof nodig.
  • Hevige neerslag: Piekbuien kunnen invloed hebben op de concentratie zuurstof in het oppervlaktewater, vooral in warme zomers. Als er dan door hevige regen meer overstorten plaatsvinden van het riool, leidt dat ook tot een grotere zuurstofvraag en mogelijk tot zuurstofloosheid. Door zuurstofloosheid sterven vissen en kleine dieren in het water. Ook zal de soortensamenstelling veranderen.

Meer microverontreinigingen en giftige stoffen

Door klimaatverandering kunnen er meer microverontreinigingen en giftige stoffen in het stedelijk oppervlaktewater terechtkomen. Door hevige neerslag spoelen er meer microverontreinigingen het oppervlaktewater in. Ook de combinatie van warm weer en aanhoudende droogte kan een schadelijk effect hebben: op plekken waar vroeger industrie was, kunnen giftige stoffen uit de waterbodem vrijkomen. Klik op de vragen hieronder voor meer uitleg.

Meer zout (verzilting)

Door klimaatverandering kan de concentratie zout (chloride) in oppervlaktewater toenemen. Dit noemen we ook wel verzilting. Verzilting neemt vooral toe in gebieden aan de kust. Dat komt onder andere doordat er door de stijgende zeespiegel en dalende bodem steeds meer zoute kwel het zoetwater in stroomt. Ook droogte en hitte kunnen verzilting van het oppervlaktewater veroorzaken. Zo laten we in droge periodes weleens ‘gebiedsvreemd water’ in vanuit de grote rivieren, terwijl het zoutgehalte van dat water in de zomer soms erg hoog is. Daarnaast verdampt er meer water in warme periodes, waardoor het zoutgehalte van het water nog verder stijgt. Als het zoutgehalte van oppervlaktewater hoger blijft, kan dat biologische effecten hebben op het water.

Te veel voedingsstoffen door eutrofiëring

Door klimaatverandering komt er meer fosfor en stikstof in het stedelijk oppervlaktewater. Hierdoor neemt eutrofiëring toe: er komen te veel voedingsstoffen in het water, ook wel nutriënten. Dit kan bijvoorbeeld bijdragen aan groei van schadelijke blauwalgen, wat de waterkwaliteit verslechtert. Klimaatverandering leidt via twee processen tot een hogere fosfor- en stikstofbelasting. Het eerste proces gebeurt in het oppervlaktewater zelf: dit noemen we interne eutrofiëring. Het tweede proces wordt veroorzaakt door bronnen buiten het oppervlaktewater: dat noemen we externe eutrofiëring. Klik hieronder voor meer uitleg over interne en externe eutrofiëring.