Biologische effecten - Hoe beïnvloedt klimaatverandering het leven in het water?

Het veranderende klimaat heeft ook invloed op het leven in en om het water. Dit noemen we biologische effecten van de ecologische waterkwaliteit. Op deze pagina gaan we in op de effecten die klimaatverandering heeft op veelvoorkomende dieren en planten in stedelijk oppervlaktewater: blauwalgen, waterplanten, vissen, exoten en muggen.

Meer blauwalgen en kroos

Onder invloed van klimaatverandering kunnen meer voedingsstoffen in het water terechtkomen, waardoor de concentratie fosfor en stikstof in het water hoger wordt. Dit kan leiden tot eutrofiëring. Stilstaand water versterkt dat effect. Eutrofiëring stimuleert de groei van blauwalg, een cyanobacterie. Dat is een bacterie die net als algen en wieren deel uitmaakt van fytoplankton. Blauwalg heeft een negatief effect op het gebruik van oppervlaktewater. Blauwalgen groeien vaak beter dan andere vormen van fytoplankton, onder andere doordat ze aan het wateroppervlak dikke drijflagen kunnen vormen. Daarmee geven ze schaduw aan fytoplanktonsoorten die eronder liggen, waardoor die minder goed groeien. Ook kan klimaatverandering leiden tot een langer groeiseizoen. Daardoor kan er in het voorjaar en najaar meer fytoplankton groeien. Ook de zachtere winters hebben invloed op de waterplanten in stedelijk water: planten die overwinteren in of op het water profiteren het meest van zachte winters. Zo neemt kroos in kleine stadswateren toe doordat de plant bij zachte winters niet meer afsterft.

Meer woekerende waterplanten

NKWK-PROFIEL ecologie-zoomins-2021031415

Doordat door klimaatverandering de concentratie stikstof en fosfor in het water hoger wordt, neemt de diversiteit aan waterplanten af. Als waterplanten nog nét de concurrentiestrijd om nutriënten winnen van algen kan er een dominante watervegetatie ontstaan. Vaak is het watersysteem al troebeler geworden en valt er weinig licht op de bodem. Woekerende soorten zoals Waterpest en Grof hoornblad hoeven niet of nauwelijks in de bodem te wortelen en hebben weinig lichtinval nodig om te groeien. Daardoor zullen ze soorten die in de bodem wortelen en langzaam groeien wegconcurreren. Dit effect wordt nog versterkt doordat deze woekerende soorten in de winter niet meer afsterven.

Vissterfte en verandering van vissoorten

Door klimaatverandering zal er in de zomer meer vissterfte plaatsvinden en in de winter juist minder. In de zomer neemt de vissterfte toe doordat er bij hoge temperaturen en in stilstaand water zuurstofloosheid kan optreden. Ook in de winter, als er lange tijd ijs met sneeuw ligt, kan er zuurstofloosheid optreden. Daardoor kan vooral in ondiepe wateren vissterfte plaatsvinden. Maar doordat lange ijsperiodes steeds minder vaak voorkomen, neemt de vissterfte in de winter af. Klimaatverandering heeft niet alleen invloed op vissterfte, maar ook op de samenstelling van vissoorten. Koude vissoorten zullen verdwijnen. Er zullen meer bentische vissen komen, zoals karper en brasem. Dat zijn vissen die op of bij de bodem leven. Daarnaast leiden hogere temperaturen tot een langere paaitijd, waardoor er langere tijd kleine vissen in het oppervlaktewater zwemmen. Omdat deze visjes zoöplankton eten, blijft er minder zoöplankton over om de aanwezige fytoplankton te eten. Daardoor zal het water meer fytoplankton bevatten.

Meer exoten en muggen

Klimaatverandering is er niet de belangrijkste oorzaak van dat meer exotische planten en dieren zich vestigen in stadswateren. Wel kan het invloed hebben op de mate waarin een soort voorkomt. Zo kunnen zachtere winters ertoe leiden dat exotische planten-en diersoorten in het stedelijk oppervlaktewater overleven. Deze kunnen andere soorten gaan overheersen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Amerikaanse rivierkreeft,  Watersla, Grote waternavel en Waterhyacint. Deze soorten sterven nu nog vaak af in de winter, maar als de winters zachter worden kunnen zij hier waarschijnlijk nog beter overleven.

Overlast van muggen kan ontstaan als afgevoerd regenwater ergens te lang blijft staan. Dit gebeurt vooral als kleine bovengrondse afvoersystemen verstopt raken, bijvoorbeeld met veel sediment dat is meegespoeld tijdens piekbuien.